Afwijkend uitstrijkje

Een uitstrijkje wordt gemaakt naar aanleiding van klachten of in het kader van het bevolkingsonderzoek. Soms vertoont dit onderzoek een afwijkend resultaat: mogelijk zijn er aanwijzingen te zien voor (een voorstadium van) baarmoederhalskanker. Een voorstadium is goed en eenvoudig te behandelen.

Hoe het komt dat de cellen in de baarmoedermond afwijkingen krijgen, is niet helemaal duidelijk. Wel is bekend dat afwijkingen in de cellen iets te maken hebben met een infectie met het humaan papillomavirus (HPV). Van dit virus bestaan verschillende soorten. Sommige soorten veroorzaken wratten, andere soorten komen vaker voor bij afwijkende uitstrijkjes.

Vervolgonderzoek

Afhankelijk van de uitslag kan de gynaecoloog beslissen tot een nieuw uitstrijkje of verder onderzoek. Daarbij kijkt hij of zij meestal eerst met een microscoop naar de baarmoedermond (een zogenoemde colposcopie). Ook kan er dan weefsel worden afgenomen voor verder onderzoek of behandeling. Dit kan een klein stukje zijn (een biopt), maar ook een groter stuk (een lisexcisie). 

Beoordeling weefsel

De weefsels die de gynaecoloog afneemt bij dit onderzoek worden beoordeeld door de patholoog. Daarbij wordt de zogenoemde CIN-indeling toegepast: 

  • CIN I: Het weefsel toont lichte afwijkingen. Er is een grote kans dat de afwijking spontaan verdwijnt. Meestal wordt in dit geval het uitstrijkje herhaald.
  • CIN II: De afwijkingen zijn duidelijker dan bij CIN I.
  • CIN III: Een voorstadium van baarmoederhalskanker. Dit betekent niet dat u zonder behandeling ook werkelijk kanker krijgt. De meeste vrouwen bij wie een CIN III wordt gevonden, krijgen waarschijnlijk nooit baarmoederhalskanker, ook niet als zij niet behandeld worden. Bij een CIN III uitslag wordt meestal een lisexcisie uitgevoerd. 

In de meeste gevallen na aanvullend weefsel onderzoek danwel een lisexcisie blijft u tenminste twee jaar onder controle bij de gynaecoloog.

Meer informatie